De Laatste Eer verruilt na eeuw pet voor hoed

Begrafenisvereniging De Laatste Eer in Anjum bestaat honderd jaar. Oud-Anjumer Harke Iedema las op verzoek van het bestuur de notulen en vatte die samen in een boek. In ”Niemand ontvlucht het slagveld van de dood” – vrij vertaald naar Prediker 8 vers 8 – staan ook anekdotes en bijzondere gebeurtenissen.

Door Elisabeth Post

ANJUM - Hoewel de jaarvergadering doorgaans door een handjevol mannen wordt bezocht, heeft de algemene begrafenisvereniging De Laatste Eer in Anjum aan leden geen gebrek. De club telt maar liefst negenhonderd. ”Eltsenien yn Eanjum en omkriten is lid”, zegt voorzitter Freerk Swart. ”Wer fine jo soks no?”

Als bestuurslid heeft Swart het na tien jaar nog steeds naar de zin. Ook penningmeester Jappie Wijbenga uit het nabijgelegen Oostmahorn en secretaris Eeltje Jansma voelen zich thuis bij de De Laatste Eer. ”Wy beskôgje it as in plicht om dit te dwaan. Wolnee, oer de dea prate wy net safolle. Nei ús gearkomsten, wêr ’t in minút stilte yn acht nimme foar de minsken dy’t ferstoarn binne, keapje wy in slokje en hawwe wy it oer de leuke dingen yn it libben”.


Dragers met de kist met daarin het lichaam van de in 1955
overleden Jinne Dekema. De foto is gemaakt op verzoek van de familie in Amerika.


Bestuursleden wisselen dan ook niet zo snel van functie. Evenals de bodes. Zo is bode Harm Dijkstra al 28 jaar in dienst. Hij heeft slechts zeven voorgangers gehad.

De begrafenisvereniging hecht aan tradities. Zo worden de graven nog altijd door twee man met de schop uitgegraven en laten de dragers de kist met touwen in het graf zakken. ”Wat no Arbo-easken? Dêr dogge wy net oan”.

De begraafplaats aan de Bantswei is veertig jaar oud en wordt door vijf vrijwilligers onderhouden. Voor die tijd werden de doden begraven op het kerkhof bij de hervormde kerk. Maar dat was, zo beschrijft oud-Anjumer Harke Iedema in zijn boek over de vereniging, iedere keer weer een hachelijk avontuur. Het kerkhof was veel te nat. De vereniging zwengelt het in 1942 aan bij de gemeente en schrijft in een brief: ”Het is meer dan eens nodig, wanneer een begrafenisstoet het kerkhof nadert, water uit het graf te scheppen”. Pas jaren later wordt de wens ingewilligd en wordt de huidige begraafplaats geopend.

Tegenwoordig wordt de kist met de overledene in een auto naar de begraafplaats gebracht. Tot 1944 werd eerst een draagbaar en later een lijkkoets gebruikt. Maar het bestuur wilde liever een lijkauto inzetten. Er was dan ook tevredenheid toen het schuurtje met daarin de koets afbrandde. ”Door de brand uit de brand. Met fatsoen zijn we de wagen kwijtgeraakt”, meldt de secretaris in die tijd.

In het verleden liepen vele Anjumers uit voor begrafenissen, zo las Iedema in de notulen. Niet iedereen kon die aandacht waarderen. De leden ergerden zich aan de jeugd die zelfs tussen de begrafenisstoet doorhuppelde. Besloten werd dat bode Harke Iedema – de pake van de schrijver van het boek – de dorpsagent inseinde als er een begrafenis was. En daarmee waren de ordeproblemen over.


Bode Harke Iedema die De Laatste Eer diende van 1937 tot aan zijn dood in 1947


Bij de begrafenisvereniging zijn ze zuinig op de spullen. Zo is het pak dat de dragers aan hebben, dertig jaar lang gebruikt. Vandaag wordt tijdens de viering van het honderdjarig bestaan de nieuwe kleding gepresenteerd. Er wordt dan afscheid genomen van de traditionele pet. In plaats van zwarte pet met klep, moeten de dragers voortaan een hoed op. ”It sil wol efkes in oar gesicht wêze, mar neffens de ûntwerper moat wy ek in bytsje mei de tiid mei gean. Dat foarút mar”, aldus Eeltje Jansma.

Leeuwarder Courant, 27 november 2006